Joodse
verhalen: De bruid in haar graf Het lied van
de jongen
De bruid in haar graf
Een waar verhaal over hoe de Baal Shem Tov een bruid terugbracht
uit de andere wereld, herverteld door Meyer Levin, vertaald uit het
Engels door Rob Cassuto
inleiding:de
Baal Shem Tov heette eigenlijk Rabbi Israël ben Eleazar. Hij leefde
in de 18e eeuw in Oost-Europe en was de stichter van het Chassidisme.
Hij had vele volgelingen.
In de vele legenden die om hem heen zijn geweven treedt hij op als wonderrabbijn
en meester van de kabbala. Met zijn titel Baäl Shem Tov - die maar
enkele kabbalameesters mochten dragen - is hij het meest bekend. Een
lied is door mij aan hem gewijd, te lezen
hier.
Spoedig wist de hele wereld van de wijsheid en kracht van de Baal Shem
Tov.
Uit alle hoeken van de Karpathen kwamen volgelingen naar hem toe
Vaak ging hij op reis naar verre oorden waar de Wil hem naar toe riep.
Op een woensdagavond, stond rabbi Israël op en zei “Ik moet
weg voor de Shabbat”.
Hij ging naar de schuur en tuigde zijn paard op. Een aantal volgelingen
sprongen ook op en smeekten hem om hen mee te nemen. Een paar stond
hij toe om in zijn wagen te komen. “Waar zullen (gaan) we de Shabbat
houden?” “In Berlijn, in het huis van een rijke jood”.
Hoewel ze wisten dat zelfs met de snelste paarden het meer dan een week
zou nemen (duren) om naar Berlijn te komen, vroegen zij niets aan de
rabbi.
Want de meester was niet beperkt door de banden van tijd of van ruimte.
De Baal Shem Tov liet zijn paardje langzaam langs de weg lopen en tegen
middernacht stopte de wagen voor een herberg. “Laten we hier vannacht
maar blijven”, zei rabbi Israël. De herbergier verwelkomde
hen in hun huis want hij zag dat het heilige mannen waren. “Misschien
willen jullie mijn huis de eer aandoen en voor de Shabbat overblijven”,
zei hij. Maar rabbi Israël antwoordde “We moeten de Shabbat
in Berlijn houden”.
De herbergier keek hem aan en begreep er niets van.
De rabbi zei “Op de Shabbat-avond is er een huwelijksfeest in
het huis van een rijke jood in Berlijn en ik moet op dat huwelijk zijn
om de dienst te lezen en de bruid te zegenen”
“U moet wel een wonderlijk paard hebben”, zei de herbergier
met een glimlach.
“Mijn paardje zal daar op tijd zijn”, zei rabbi Israel.
“Op tijd? Voor de Shabbat volgende week, bedoelt u”, antwoordde
de herbergier lachend, “want Berlijn is meer dan 100 mijlen ver
weg. Als u dag en nacht zou reizen en man noch paard zou sparen, zou
u misschien op tijd komen voor de Shabbat na deze”.
Maar zijn woorden brachten de Baal Shem Tov niet in verlegenheid.
Rabbi Israël wendde zich tot zijn volgelingen en zei, “Jullie
zijn moe, laten we gaan slapen”.
De herbergier kon die nacht niet slapen. Klaar wakker lag hij zich
maar af te vragen hoe de Rabbi Berlijn kon bereiken voor het aanbreken
van de Sjabbat.
“Nu is het Woensdagnacht, “ zei hij bij zichzelf, “Morgen
heb je één dag en Vrijdag heb je maar een deel van de
dag (de sjabbat begint Vrijdagavond). Nee, ik begrijp er niets van!
Maar weet je wat, ik zal hem zeggen dat ik voor iets in Berlijn moet
zijn en ik vraag of ik mee mag.”
Toen de Baal Shem Tov ‘s-ochtends was opgestaan, ging de herbergier
snel naar hem toe en zei, Zal ik het paard optuigen, Rabbi?”
“Nog niet”, zei de Baal Shem Tov, “Eerst gaan we bidden
en daarna ontbijten we”.
”Rabbi,” zei de waard, “Ik moet in Berlijn zijn voor
zaken. Neem me met u mee!”
“Kom maar als we weggaan bij ons in de wagen”, zei Rabbi
Israël.
De Meester en zijn volgelingen zeiden de ochtendgebeden en daarna zaten
ze om de tafel.
Ze aten zonder haast en ondertussen discussieerden ze over de Tora.
Verschillende visies op een probleem werden besproken en geruime tijd
zaten ze het probleem te bespreken.
Intussen rende de waard druk rond en kleedde zich voor de reis. Toen
hij klaar was keek hij in de kamer waar de Meester met zijn leerlingen
zat en hij zag dat ze nog steeds verdiep zaten in hun discussies.
“De halve dag is al voorbij!”, dacht de waard.
Hij hoorde de woorden van de Rabbi. “Uit iedere goede daad wordt
er een engel geboren.
Uit iedere slechte daad wordt een slechte engel geboren. In alle daden
van ons dagelijks leven dienen we God rechtstreeks alsof onze daden
gebeden waren. Als we eten, als we werken, als we zingen, als we onszelf
wassen, bidden we tot God.
Daarom moeten we voortdurend leven in de opperste blijdschap, want alles
wat we doen bieden we aan God aan.
En uit alle dingen die we slecht doen, uit werk dat we half afmaken
of gedachten die we onvoltooid laten, worden misvormde engelen geboren.”
De waard dacht, “Als hij op die manier naar Berlijn reist, zal
de engel die uit zijn tocht geboren wordt niet meer dan het begin van
een teen hebben en verder niets”.
Maar de rabbi en zijn studenten bleven al pratend om de tafel zitten.
“Ik zal je het verhaal over een koning vertellen,” zei de
Baal Shem Tov. “Er was er eens een hele wijze koning die voor
zich zelf een vreemd en wonderlijk paleis had gebouwd. In het midden
van het paleis was een kamer waarin zijn troon stond. Er was maar één
deur die toegang gaf naar deze kamer. Door het hele paleis heen liepen
gangen en hallen en doorgangen, die draaiden en kronkelden en alle kanten
uitgingen, er waren eindeloze muren zonder openingen en er waren nog
meer gangen.
Toen het paleis klaar was zond de koning een bevel aan al zijn edelen
om naar hem toe te komen. Hij zat op zijn troon en wachtte.
De edelen kwamen aan buiten het paleis en staarden met verbazing naar
de wirwar van gangen. Ze zeiden, ‘Er is geen weg naar de koning!’
Maar de prins gooide de deur open en zei, ‘Hij zit voor jullie!
Alle wegen leiden naar de koning!’”
Rabbi Israël zei tenslotte, “Zo kunnen we God vinden.”
’s-Middags riep de Baal Shem Tov de herbergier.
“Ik ga onmiddellijk het paard optuigen!” zei de herbergier.
“Nee, nog niet. Eerst eten we nog het avondmaal”.
En de rabbi en zijn leerlingen gingen weer zitten en aten nog een heerlijk
maal.
De avond viel en de rabbi gong naar de schuur en spande het paard voor
de wagen.
“Nu gaan we,” zei hij.
De waard klom bij hen in de wagen.
“Eindelijk zal ik zien hoe hij dat doet met het paard,”
dacht hij. En hij bond een doek om zijn nek, want hij dacht, “Er
zal een sterke wind komen door de snelheid waarmee wij zullen rijden”.
Het paardje begon te lopen. Eerst, zo zag de herbergier, gingen ze
de weg af waaraan zijn herberg stond. Ieder huis aan de weg kende hij,
iedere boom. Maar toen de duisternis toenam zoals de slaap rond zijn
ogen wist hij niet zeker meer waar hij reed. Eerst schenen er geen huizen
meer te zijn. Toen schenen er geen mensen meer te zijn. En ten slotte
schenen er geen bomen meer te zijn. Hij was wakker, hij luisterde en
toch kon hij de hoefslag van het paard niet horen. De wagen bewoog stil
door de duisternis,zachtjes alsof hij zweefde op een oppervlak van glas.
De lucht gleed lichtjes langs zijn gezicht en er was een zoete geur
in zijn neusgaten.
Hij dacht bij zichzelf, “Misschien ben ik er helemaal niet!”
Toen voelde hij de chassied naast hem om er zeker van te zijn dat het
geen visioen was.
“Waar gaan we naar toe?” vroeg hij
“We gaan naar Berlijn.”
“Maar ik herken de weg helemaal niet!”
De Baal Shem Tov zei, “Dit is de korte weg”

De hele nacht reden ze en de herbergier zag geen lichtjes van woningen,
zag niets dan de sterren in de fluwelen hemel en hoorde niets dan de
stemmen van de chassidiem die spraken over zaken in de Tora.
De rabbi zelf sprak over vele wonderlijke zaken. Hij sprak over de profeet
Elia, die over de wereld zwerft en over hoe hij in de tijd van de verlossing
de Messias zal brengen en dan tenslotte de Shechina of wel de Glorie
van de Levende God; dan zal hij ophouden met zwerven en zich met hem
verenigen.
” Niemand kan de komst van die dag bespoedigen,” zei de
meester van het Woord. “Zelfs het machtigste woord kan die dag
niet naderbij brengen zolang het kwaad onder ons is.”
Tegen het aanbreken van de dag begon de waard weer de hoefslag van
het paard te horen. toen voelde hij de wagen op de weg stoten. hij zag
bomen, hij zag huizen.
Hij zag dat ze vlakbij een grote stad waren. Toen ze de stad binnenreden
zag hij dat het Berlijn was.
De Herbergier herinnerde zich dat de Baal Shem Tov had gezegd dat hij
naar het huis van een rijke Jood moest om een huwelijksdienst te leiden.
Maar in plaats van naar de straat te rijden waar de huizen van de rijken
stonden stopte de Rabbi voor een schamel hotel en ging daar met zijn
leerlingen naar binnen, waar ze hun ochtendgebeden zeiden en aan tafel
gingen zitten.
De herbergier ging naar buiten en wandelde door de straten. Hij was
rusteloos en nog vol van het nieuws van de wondertocht die hij had gemaakt
en hij wilde iemand vinden om over het grote mirakel te vertelen.
Hij kwam in de straat met de rijke huizen. Elk huis was een echt paleis.
En een van deze huizen was versierd als voor en groot feest. Toen de
herbergier voor dit huis stond, ging de deur open en een jonge man kwam
eruit rennen. Hoewel hij grote haast had scheen hij niet te weten waarheen
te gaan, maar hij draaide eerst de ene kant op en toen de andere kant.
Zijn gezicht was deerlijk verwrongen van verdriet.
De herbergier zag dat de jonge man Shabbat-kleren aanhad en nieuwe schoenen.
“Het is vast de bruidegom,” dacht hij.
De bruidegom kwam de herbergier tegen en zei, “Waar is hier een
dokter?”
De herbergier greep zijn arm en schreeuwde, “Kom mee ik ken een
rabbi die wonderen doet!”
Maar de bruidegom bleef staan zei steeds tegen zich zelf, “Wat
heeft het voor zin? Ze is dood.”
De herbergier kon zich niet inhouden en schreeuwde, “De Rabbi
kan alles! Hij kwam honderd mijl in één nacht om een huwelijk
in te zegenen in Berlijn!”
De bruidegom zei, “De bruid is dood.”
De herbergier zei, “Zijn macht is zo groot, hij kan vast mensen
uit de dood doen opstaan!
Kom, ik zal je naar hem brengen!”. De bruidegom stak zijn hand
uit en de waard leidde hem naar de Baal Shem Tov.
“Vertel me wat er is gebeurd,” zei de meester.
“Vandaag zou ik trouwen,” zei de man, “Gisteravond
was er een groot feest in het huis van de bruid. Het hele feest was
ze vrolijk, ze danste, ze was het gelukkigst van alle mensen in het
huis. We dansten samen op ons huwelijksfeest. Toen ging ze naar boven
naar haar kamer en ging slapen. En toen ze vanochtend wakker werd en
probeerde op te staan, viel ze dood op de grond.”
“Breng me naar het huis,” zei de Baal Shem Tov.
Ze kwamen bij het mooie huis dat versierd was voor het trouwfeest. Ze
gingen door de balzaal waar het feest was gehouden, ze gingen de trap
op en kwamen in de slaapkamer van het meisje. Gekleed in een lange wit
hemd lag daar het lichaam van de bruid. Naast haar op bed lag de bruidsjurk
die ze net begonnen was aan te trekken.
De Baal Shem Tov boog zich over haar heen en keek in het gezicht van
het meisje. Toen zei hij tegen de vrouwen die in de kamer waren, “Kleed
haar in haar doodskleed.” En tegen de mannen zei hij, “Graaf
een graf op de begraafplaats.”
En tegen de bruidegom zei hij, “Ik zal met je meegaan om de bruid
te begraven. Maar je moet alles precies zo doen als ik het zeg. Neem
haar bruidsjurk en haar sieraden en haar bruidsschoenen en breng ze
mee naar het graf.”
Toen hulden de vrouwen het meisje in haar lijkwade. En toen ze klaar
was om begraven te worden, legden ze haar in een doodskist. De bruidegom
nam de bruidsjurk in handen en droeg die met zich mee terwijl hij naast
de doodskist liep.
Twee grafdelvers hadden al een kuil gemaakt. Ze rechtten hun rug, klaar
om uit de kuil te klimmen. Maar de Baal Shem Tov riep naar beneden,
“blijf daar en doe zoals ik zeg. Laat één van jullie
aan haar hoofdeinde gaan staan en de ander aan haar voeteneinde. Blijf
naar het gezicht van het meisje kijken. Als er iets in haar gezicht
verandert geef ik je een teken. Dan til je haar op en helpt haar te
gaan staan.”
Ze namen het meisje in haar doodskleed op en lieten haar zakken in
de aarde. Ze namen de doek van haar gezicht weg, zodat de levenden een
laatste blik ophaar konden werpen. Haar gezicht was zo wit als haar
doodskleed.
Ze gooiden geen aarde over haar lichaam.
De Baal Shem Tov nam zijn stok om er op te steunen toen hij zich voorover
boog over het open graf. Zijn blik was gevestigd op het gezicht van
het dode meisje. En allen die erbij waren keken eerst naar het gezicht
van het lijk en dan naar het levende gezicht van de Baal Shem Tov.
En toen ze hem in het gezicht keken zagen ze dat hij was weggegaan naar
een andere wereld. In zijn ogen blikkend konden ze bijna zien wat hij
zag in de andere wereld. Zij wisten dat de Macht over hem was gekomen
en dat hij niet langer onder hen was. Ze zagen zijn mond bewegen en
ze hoorden hem woorden spreken die gemaakt waren van klanken die ze
nooit eerder hadden gehoord. En niemand van hen die bij dat graf hadden
gestaan kon zich ooit later de woorden herinneren die hij had geuit.
Alleen de bruidegom hield zijn ogen gevestigd op het gezicht van zijn
geliefde.
En een hele tijd later liep er een huiver over zijn rug. Want het leek
erop of hij een vleugje kleur, zo subtiel als de knipper van een ooglid,
over haar wang had zien gaan.
Op dat zelfde moment beefde de Baal Shem Tov met een enorme kracht,
zoals een man beeft, die met alle macht de wielen tegenhoudt van een
wagen, die anders zou weg glippen en de heuvel af zou snellen.
Toen richtte Rabbi Israël zich op en ademde vrij. Hij gaf een
teken aan de twee mannen en deze tilden het meisje uit het graf. Haar
ogen waren open. Ze keek naar haar bruidegom en glimlachte.
“Kleed haar in haar bruidskleren en breng haar onder de baldakijn,”
zei de Baal Shem Tov.
“Alles wat er is gebeurd, vergeet dat..”
Met deze woorden was Rabbi Israël begonnen weg te lopen. Maar de
bruidegom rende hem achterna en smeekte hem om de huwelijksdienst uit
te leiden.
Het huwelijksfeest werd groter dan ooit tevoren opgezet. En de vreugde
in dat huis kende geen grenzen, want de bruid was terug gekeerd uit
de dood.
Alleen, de hele dag vroegen ze haar, “Wat gebeurde er daar?”,
en dan raakte ze in de war en dan antwoordde ze verbijsterd, “ik
weet het niet, ik weet niet wie hij was!”
Toen het paar onder de huwelijksbaldakijn stond en de Baal Shem Tov
de huwelijksdienst begon te lezen, schrok de bruid blij op en riep,
“hij is het!”
Rabbi Israël fluisterde naar haar, “Stil!” en hij maakte
de dienst af.
Maar toen de huwelijksplechtigheid was afgelopen kon de bruid haar geheim
niet langer bewaren. Ze wilde de rabbi niet laten gaan. “Hij was
het die me van ginds terugbracht!”, zei ze, “ik herken hem
aan zijn stem!”
Toen ze aan het huwelijksmaal zaten, vertelde de bruid alles wat er
gebeurd was.
De bruidegom was al eens eerder getrouwd geweest. Zijn eerste vrouw
was de tante van dit meisje, die wees was. Het meisje woon in hun huis
en was gelukkig.
Toen de echtgenoot ziek werd en wist dat ze ging sterven, riep ze het
meisje bij haar bed en zei, “Beloof me dat je nooit zal trouwen
met mijn man. Anders kan ik niet rustig sterven.”
Het meisje was bang om deze belofte te doen, want ze voelde de liefde
voor haar toekomstige bruidegom zich roeren. Maar omdat ze de wens van
de stervende vrouw niet kon negeren deed ze de gevraagde belofte.
Toen riep de vrouw haar jonge echtgenoot bij haar bed en zei, “Ik
kan niet rustig sterven tenzij je belooft niet met mijn nicht te trouwen.”
Om haar rustig te laten sterven gaf hij haar zijn hand en zijn woord.
Toen de dode vrouw uit het huis weg was bleven de man hen het meisje
daar samen achter. Elke dag wisten ze dat hun liefde in kracht toenam.
Op het laatst konden ze hun liefde niet langer tegenhouden en ze besloten
met elkaar te trouwen.
Toen op de ochtend van het huwelijk met meisje opstond om haar bruidskleding
aan te doen, kwam de boze ziel van de dode vrouw het huis in. Ze greep
de ziel van het meisje met de kreet, “Je hebt je heilige belofte
gebroken! Kom mee met mij!”
En voor de Almachtige eiste zij de dood van de bruid.
Toen de bruid in haar graf werd geplaatst ging haar ziel naar boven
voor het oordeel. De zielen van de twee vrouwen stonden samen voor het
oordeel. De ziel van de eerste vrouw schreeuwde, “ze heeft mij
van mijn geliefde weggenomen!”
Op dat moment steeg de Baal Shem Tov op naar het hof van het oordeel.
Hij plaatste zich tussen de twee zielen. “De doden hebben geen
rechten op aarde!” verklaarde hij. “Het recht is met de
levenden!”
Hij greep de ziel van het meisje en trok haar weg van de ziel van de
dode vrouw.
“De bruid en de bruidegom hebben niets verkeerds gedaan,”
zei hij, “De belofte die ze hebben afgelegd hebben ze tegen hun
wil gedaan. Hun belofte hebben ze alleen gedaan om rust te geven aan
de stervende vrouw. En nu moet ze hen met rust laten!”
De woorden van Rabbi Israël werden als juist beoordeeld. En er
werd een order gegeven, “Laat de ziel van het meisje terugkeren
naar haar lichaam.”
Maar de dode vrouw wilde de ziel van het meisje niet vrijlaten. Ze klampte
zich met alle macht vast aan de ziel van het meisje.
“Laat haar los!” schreeuwde de Baal Shem Tov. En toen pakte
hij al zijn kracht bij elkaar en wrong de ziel van het meisje uit de
klauwen van de ziel van de dode vrouw. “Laat haar los! Zie je
niet dat de huwelijksbaldakijn wacht!"
Dat was het moment dat de bruid terugkeerde naar de levenden en uit
het graf werd gehaald en in haar bruidskleren werd gekleed.

